En Toen Was Er Niks – 2

Photo by Shaira Luna

Scroll this

Ze zat tegen het raam. Het was vies en stoffig maar ze kon er net nog doorheen kijken. Het liefst zat ze bij het raam, starend naar de wereld die voorbij raasde terwijl het ritmische gekletter van het spoor haar op hypnotische wijze liet fantaseren over alles wat zou kunnen en zijn in haar leven. Er was zoveel daarbuiten, dacht ze altijd. Zoveel plekken die ze zou zien maar nooit zou aanraken. Het was altijd een verdrietige bedoeling als Laurine in de trein zat, wat betekende dat ze op de werkdagen een grove anderhalf uur heen en anderhalf uur terug geconfronteerd werd met dat verdriet. Ze kon het nooit helemaal plaatsen en deelde het ook niet met Tony. Ze wist dat hij het nooit zou begrijpen. De enige omschrijving die ze eraan kon geven was een ‘onbereikbare hoop’. Wat dat ook mocht betekenen.

Haar verdriet werd alleen maar intenser als de stoelen naast haar gevuld werden, maar ook daar kon ze geen woorden of verklaring aan koppelen. Ze zag de ledenmaten van anderen als een aanval op haar eigen bestaan. Als het aan haar lag zou er een wettelijk afstand komen. Elk persoon moest minimaal twee meter van elkaar verwijderd zijn. De bewegingsvrijheid die ze plotseling zou krijgen zou ongeëvenaard zijn, maar net zoals vele gedachtes van Laurine zou dit ook maar een onbereikbare hoop zijn.

Het was inmiddels 06:34 en ze was halverwege Amsterdam. Voorheen haatte Laurine de ochtend, maar na anderhalf jaar van structurele gewenning was ze eraan gewend geraakt was ze er inmiddels aan gewend. Aan het gesnurk in de cabine en de zielloze vermoeide ogen die de hele rit enkel maar voor zich uit konden staren. Ze vroeg ze altijd af wat er in de gedachtes om ging van de mensen. Waar ze aan dachten en of ze überhaupt aan het denken waren of dat ze mentaal afwezig waren.  Ze was ervan overtuigd dat de echte wereld niet bestond in de trein coupes tussen zes en zeven uur. Lachen bestond niet. Vreugde bestond niet. Het enige wat bestond in de tweede klas coupes in de NS Intercity tussen ‘s-Hertogenbosch en Amsterdam Centraal op werkdagen tussen zes en zeven uur was een stilte en een vermoeide anticipatie op de dag. Ze vond rust in het ritje. Gepaard met haar standaard cappuccino met één zakje suiker van de kiosk gekocht tijdens haar overstap op het station in ’s-Hertogenbosch die ze vervolgens leeg zou achterlaten met de afdruk van haar lippenstift tijdens haar tweede overstap op Utrecht Centraal zodat ze met haar handen vrij uiteindelijk aankomt op Amsterdam Zuid.

Dan moest haar dag nog beginnen.

Ze werkte bij De Jong Greenrock Oostbos. Een wereldwijd bekend advocatenkantoor met een imposant kantoor op de Amsterdamse Zuidas met een kantoor van aanzienlijke grote op de Amsterdamse Zuidas wat haar initieel als stagiaire aangenomen, dankzij connecties van haar vader die zelf ook in de advocatuur zat, maar na het afronden van haar opleiding toch een positie kreeg waar de onder gemiddeld betaald zou worden aangezien de naam op haar CV toekomstig nog veel deuren zou openmaken. Voor de deur van het glazen 24 verdieping grootte kantoorpand zou ze nog een sigaret roken. Tony wist niet van het feit dat ze rookte. Hierom verstopte ze het pakje diep in haar grote tas, soms nam ze maar extra dingen mee zodat het pakje moeilijker vindbaar was in haar tas. Dit was haar geheim. Haar kleine ritueel voordat de werkdag start. Het maakte het reizen, de stress en de druk allemaal toch iets behaaglijker. Vervolgens zou ze de geur proberen te maskeren door een extra dosis van haar parfum op te doen. Ze kon moeilijk argumenteren waarom ze het deed. Iedereen rookte bij haar op het kantoor. De geur van tabak zat ingebakken in de vergaderruimtes en kantoortuinen. Men keek ook niet op als de geur van sigaretten nog wemelde op de toiletten aangezien een groot deel van de werknemers te lui was om 17 verdiepingen naar beneden te gaan om daar hun sigaret te roken. Daarom waren de wc’s onofficieel ook een rokersruimte geworden. Dat was ook haar smoes als Tony vroeg waarom ze zo naar tabak rook. Een verklaring absurd genoeg dat het direct geloofbaar was.

Zodra ze het kantoor binnen stapte en haar pasje op de scanner zou leggen zou ze een ander persoon zijn. Ze trad een wereld in stinkend naar zwetende ambitie, hypocrisie en eentje waar naar narcisme en grootheidswaanzin als promotiemateriaal aan de gevel hing. Het hielp ook niet dat een van de partners een bekende naam in de wereld was. Hoe kon het ook anders. Het ging om Húbért de Jong, hij werd als student al snel gelabeld als wonderkind en de druk van de verwachtingen wisten hem niet te laten bezwijken want als adolescent steeg hij met zijn scherpe juridische brein door de rangen van de wereld. Tot hij als een van de jongste partners het Nederlandse toneel wist te veroveren. Nu kruipt Hubert richting zijn pensioengerechtigde leeftijd aan. De jaren hebben hem niet alleen maar wijzer gemaakt maar tegelijkertijd ook zuurder en arroganter, in hoeverre dat ook kan. Het is daarom ook geen verassing dat menig persoon binnen de praktijk regelmatig wordt uitgescholden door de levende juridische legende. Het hoort bij de cultuur. Het is iets wat personen als Laurine moeten doorstaan mochten zij een noemenswaardiger carrière in de advocatuur willen behalen. Húbért werd gezien als ontgroening voor de nieuwelingen binnen de organisatie. Een brute ontgroening. De meeste zouden na twee dagen al een keer moeten huilen. Een goede helft gaf het al na een week op en concludeerde dat deze wereld hen kapot zou maken, andere kregen paniekaanvallen, depressies werden ontwaakt en het was ook een bekend geheim dat James, die inmiddels bekend stond als ‘De Springer’, afgelopen jaar van het dak van het kantoorpand sprong en vierentwintig verdiepingen hoog naar beneden vloog en voor eeuwig het bloed had gedeeld met de trottoir niet kort ervoor een confrontatie met Húbért had gehad. De politie sloot het onderzoek al snel af nadat ze erachter kwamen dat de arme James ‘De Springer’ een hevige dosis Prozac gebruikten en al voor enkele jaren intensieve begeleiding had. Binnen De Jong Greenrock Oostbos was het duidelijk wie de boosdoener was maar de buitenwereld zou dit nooit te weten komen.

James werd een legende binnen De Jong Greenrock Oostbos. Als er tranen op de werkvloer vloeiden werden er grappen gemaakt dat men hetzelfde lot tegemoet zouden gaan zoals De Springer. Het was Laurine´s geluk dat ze kort na het starten al een confrontatie had met Húbért.

Gelukkig had ze in de derde week de confrontatie met Hubert al achter de rug. Ze zag zijn hem binnenkomen in zijn inmiddels befaamde kleurrijke pakken. Ditmaal was het een olijfgroene pak met een turquoise gekleurde pochet en een licht rode stropdas. Húbért was veel dingen, waaronder een ware tiran voor de wereld maar ook stijlvol. Zijn ogen dwaalden door de kamer, opzoek naar een schaap dat hij kon verslinden zodat zijn honger eventjes gestild kon worden. Laurine vermeed oogcontact. Probeerde te acteren alsof ze druk geconcentreerd enkele documenten aan het analyseren was maar in werkelijkheid in angst zat de hopen dat Húbért door zou lopen. Het was totdat ze een slok van haar cappuccino wilde nemen maar in onhandigheid de mok omstootte waardoor de koffie met overdosis melk over de vloer stroomde richting Húbért zijn lichtbruine leren Italiaanse schoenen. De vloeistof wist nooit zijn schoenen te bereiken maar dat was niet nodig. Alles wat Húbért nodig had was een reden. Een slachtoffer. Hij was de wolf, en Laurine op dat moment simpelweg een nieuw slachtoffer waarvan hij woest een nieuw voorbeeld kon maken voor de rest van personeel. Het ging niet meer om honger of verzadiging. Voor Húbért was het puur sadistisch plezier. Het was dan ook niet voor niets dat er een grijns op zijn verouderde gezicht zou verschijnen. Zijn grijns was scheef en liet de verouderde tanden en het tevergeefs tandarts werk wat de erosie van zijn lichaam moest verbergen maar op dat moment het alleen maar leek te accentueren.

´´Jij.´´ klonk het terwijl zijn ogen gefixeerd op Laurine stonden. ´´Wie denk je wel niet dat je bent?’’. Laurine stotterde wat. Keek om zich heen in de hoop dat iemand voor haar zou opkomen, ze keek naar haar leidinggevende François, maar hij deed zijn best om haar blik te ontwijken. Toen staarde ze naar haar collega Lucas, maar angstig schudde hij zijn hoofd. ‘’Uehm…’’ Hij herhaalde haar getwijfel met een spottende toon. ‘’Is dit het niveau tegenwoordig? Je kunt nog beter een stagiair van de Albert Heijn voorlezen dan dit trieste hoopje ellende.’’ Zijn toon werd strenger en alle ogen stonden op zijn turquoise pak en zijn radicale symfonie van het vliegende speeksel en kloppende halsaderen. ‘’Jij!’’ schreeuwde hij inmiddels. ‘’ Ik zou jouw onkunde nog niet eens vertrouwen om mijn veters te strikken.’’ Hij veegde met zijn bruinleren Italiaanse schoenen bewust door de gemorste koffie. ‘’Jij begint onderaan, waar je hoort! Ruim dit op! Poets mij schoenen en o’we als er een krasje op mijn shell cordovan leer! Dan zal ik je eens laten voelen waarom ik enkele duizenden euro’s voor deze schoenen heb neergelegd.’’ Inmiddels ontstonden de eerste tranen in Laurine’s ogen maar ze deed er alles aan om ze tegen te houden. Met wanhoop keek ze rond naar het publiek dat de confrontatie aan het waarnemen was, iedereen stond daar simpelweg. Ze keken. Zeiden niets. Grepen niet in. Ze wist niet wat erger was. De passieve ogen van haar collega’s, het feit dat ze inmiddels op haar knieën zat en een keukenrol tegen haar aan gegooid kreeg of het feit dat Húbért inmiddels een van zijn schoenen had uitgetrokken en tweemaal uithaalde zodat de hak precies op Laurine’s hoofd lande. Ze had geluk dat zijn leeftijd er inmiddels voor zorgde dat zijn kracht aan het verminder was, enkel had Húbért gelijk. De schoen was van hoge kwaliteit en dat voelde ze terwijl de hak voor de tweede keer op de zijkant van haar hoofd belande. Haar grote bos haar wist de pijn te verzachten, maar dit was voldoende om de tranen los te laten. Vanuit de omstanders horen ze enige geschokte reacties maar daar bleef het bij. Laurine was inmiddels nog de vloer aan het schoonmaken en met opluchting zag de Húbért verdwijnen. Ze rende naar het toilet en liet inmiddels de tranen hun vrije loop gaan.

De rest van de dag verstopte Laurine zich. Veel werk kreeg ze niet meer gedaan. De collega’s die ze tegenkwam deden net alsof er niets was gebeurd. Voor vele was het simpelweg een normale dag bij De Jong Greenrock Oostbos, voor andere was het een opluchting dat zij het ditmaal niet waren.  Die dag at ze haar lunch alleen en staarde vanuit de zeventiende verdieping over Amsterdam. Ze voelde er niets bij. De grijze lucht, de andere hoge torens en het verkeer dat alleen maar drukker leek te worden. Ze voelde die dag niets. Misschien was dat maar goed ook.

Ze was opgelucht toen ze het kantoor voor die dag kon verlaten. Stak direct een sigaret op waarna de uitdrukking op haar gezicht veranderde van gespannenheid naar somberheid. Ze slenterde richting het station terwijl de zon voor die dag al was verdwenen. Haar ogen voelde zwaar aan en ze droomde van het moment dat haar sleutel in de voordeur van het gedeelde appartementje zouden glijden waarna ze alles hopelijk van haar af zou kunnen glijden.

In de trein deed ze haar oortjes in, zette kalmerende Aziatische instrumentele muziek op en haar gedachten begonnen af te dwalen. Voor een goede anderhalf uur bevond ze in de comfort van haar eigen gedachtes. Ze staarde naar buiten en bij elke auto die passeerde werd ze overvallen door een vlaag van jaloezie. Kon zij maar een richting bepalen. Het stuur omgooien en wegen inslaan die zo nooit had verwacht dat ze dat ooit zou doen.

Maar daar zat ze. In de schemering van de woensdagavond in de Intercity terug naar Tilburg verborgen onder een sluier van vermoeidheid.


Nu moet je dan wel echt even wachten op Hoofdstuk 3. Lees in de tussentijd wat anders van me. De hele serie bijvoorbeeld, begin hier.