De twee mokken dampten zachtjes in hun handen. Het was altijd de eerste stap van het vaste ritueel. Eerst koffie, Senseo, daarna volgde een klein schoteltje waarvan de bedrukking al bijna was verdwenen, gevuld met droge Bastognekoeken die alleen maar tevoorschijn zouden komen als er bezoek was, maar er kwam niet vaak bezoek dus de koeken waren eeuwig vervloekt totdat ze ooit eens gepresenteerd mochten worden. Die gingen rond, maar niemand nam er een.
Tinnie babbelde ondertussen ononderbroken door. Het was altijd een waar salvo van vragen en verhalen, die zorgvuldig om de ware reden van het bezoek heen cirkelden.
Laurine knikte beleefd. Haar gezicht was getooid met een strakke glimlach waar net onder een lichte spanning schuilging. Haar handen lagen stijf gevouwen op haar schoot, alsof ze zich moest bedwingen niet in haar handtas te graaien, op zoek naar iets dat haar zou afleiden: haar telefoon, haar agenda, een excuus dat zich diep verscholen hield op de bodem van haar tas zodat ze uit deze situatie kon verdwijnen.
Tony keek ondertussen onverschillig rond in de woonkamer. Hij tuurde door de vergeelde vitrage, die zachtjes bewoog door een tocht die van nergens leek te komen. Het appartement rook muf, naar oud tapijt, vocht en tabak, een geur die zich zo diep in de ruimte had genesteld dat ze als een permanente herinnering in het behang leek gekropen.
Alles was zoals hij zich herinnerde. Er leek in de afgelopen tien jaar niets veranderd, niets vervangen. Dezelfde zwarte leren bank stond er nog altijd, inmiddels met extra scheuren in de kussens waar de vulling op sommige plekken uit puilde. Tinnie zat nog steeds in haar versleten fauteuil, naast het bijzettafeltje waarop een leeg wijnglas stond, vergezeld van eeuwenoude opgedroogde wijnvlekken.
Het appartement voelde voor Tony als een verstilde tijdscapsule, een kamer die zich had volgezogen met alles wat hij ooit had willen vergeten. Een identiteit die hij het liefst achter zich zou laten, en toch zat hij er opnieuw. Hij schaamde zich. Liever had hij Laurine hier nooit mee naartoe genomen, maar zij drong er telkens op aan deze kant van hem te leren kennen. Hij probeerde haar af te schermen van de waarheid die in deze muren lag opgeslagen: de onuitgesproken woede, de bedompte lucht van nicotine die nooit meer helemaal verdween, de stille getuigen van een jeugd die zich niet had laten opruimen.
Overal lagen nog de resten van vroeger. De Action Man-figuren en Lego-constructies die hij vijftien jaar eerder had laten slingeren en sindsdien nooit meer had aangeraakt, alsof de tijd hen in dezelfde houding had bevroren. De televisie, ooit een schuilplaats, waarop hij zich urenlang verdoofde met Nickelodeon en FoxKids, alsof hij zich daardoor even normaal kon voelen. Het gat in de muur zat er ook nog, als een litteken dat niet dichtgroeit: ontstaan toen hij vanaf het dressoir op de bank sprong en zijn hoofd te hard de muur raakte. Het litteken daarvan zat nog steeds verscholen onder zijn haar, een geheime herinnering die meereisde, hoe ver hij ook kwam.
Voor Laurine waren dit misschien slechts details, banale sporen van een jeugd. Voor Tony waren het de stille getuigen van een leven dat nooit echt van de grond was gekomen. Iedere geur, ieder object, elke scheur in het behang herinnerde hem eraan dat hij altijd terugkeerde naar dezelfde plek, hoe ver hij zich ook probeerde los te maken.
‘’Je weet,” begon Tinnie, terwijl ze haar as aftikte in een vaag glazen schaaltje met een verkleurde Efteling, sticker erop,’’dat ik niet meer de persoon ben die ik was. Maar ik ben er nog. En zolang ik er nog ben, hoeven we toch niet te doen alsof het allemaal al voorbij is?”
Tony keek op. Zijn moeder keek hem voor het eerst die ochtend recht aan. Haar ogen waren waterig, gelig, maar scherp, alsof ze zich wanhopig vasthield aan de restjes helderheid die haar nog gegund waren. Elke keer dat hij haar zag, leek ze een stap achteruit te hebben gedaan. Haar gezicht was smaller geworden, de huid valer, de wangen dieper ingevallen. Zelfs de geur in de kamer was veranderd: sterker, zwaarder, alsof het einde een eigen plaats had ingenomen tussen de mufheid van tapijt en rook.
Hij voelde de oude woede opborrelen, de rook die haar longen had verteerd, het eindeloze pak shag dat nooit ver weg lag, de achteloosheid waarmee ze zichzelf stukje bij beetje had opgeofferd. In zijn hoofd wilde hij haar verwijten: dit is je eigen schuld, ma. En toch. Daaronder zat iets anders, iets wat hij niet kon uitwissen. Ze bleef zijn moeder. De vrouw die hem had grootgebracht, hoe gebrekkig en schurend ook.
Hij haatte zichzelf om dat gevoel van medelijden dat zich ongevraagd aandiende. Hij wilde haar zien als de architect van haar eigen verval, maar het lukte hem niet om volledig afstand te nemen. De waarheid zat vast in zijn keel: ze was ziek, ze was stervende, en hij stond erbij alsof hij moest kiezen tussen liefde en wrok, en geen van beide volledig kon omarmen.
‘’Niemand doet alsof, ma,” zei hij rustig.
‘’Nou ja,” bromde ze verder, ‘’je komt minder. Je belt minder. Vroeger zei je altijd: ‘ik zorg later voor je.’ Maar goed, dat zeggen ze allemaal als ze klein zijn.” Ze lachte kort, droog. ‘’En dan later… ja, dan heb je het druk.”
Laurine legde haar hand op Tony’s knie. Even maar. Een stille steun, of misschien een aansporing om iets te zeggen.
Maar hij wist het niet. En hij haatte zichzelf om dat onvermogen. Woorden waren zijn werk, zijn toevlucht, zijn gereedschap. Maar bij zijn moeder werden ze zwaar, lomp, ontoereikend. Wat hij ook zei, het voelde altijd als het verkeerde.
‘’We doen ons best, ma,” zei hij uiteindelijk.
Ze snoof. ‘’Je best,” herhaalde ze. ‘’Je best, ja. Nou ja. Goed. Jullie zijn er nu. Je weet niet hoe lang ik er nog ben, hè? Dus goed dat jullie toch gekomen zijn. Dat is ook wat waard. Zal ik nog een Senseootje doen?”
Zonder op antwoord te wachten stond ze op, slofte naar het apparaat en stopte met haar wijsvinger trefzeker een nieuwe pad in het glanzend vieze plastic.
De stilte vulde de kamer tot aan de plinten. In die stilte huisden alle dingen die nooit uitgesproken waren. Alles wat ooit pijn had gedaan, maar te oud was geworden om nog op tafel te leggen.
Tinnie zette de tweede ronde Senseo op tafel, deze keer zonder iets te zeggen. De koekjes bleven onaangeroerd. Ze stak een nieuwe shaq op, hoewel de vorige nog nagloeide in het asbakje.
Tony keek toe. Eerst hoe ze een zware hoest uit liet waarna ze vervolgens de hijs van haar shaq nam en het rook zoals gewoonlijk schaamteloos uitblies in het appartement. Iets in hem knapte.
‘’Je blijft maar roken,” zei hij. Het klonk botter dan hij bedoelde. ‘’Je zegt dat je er nog bent, maar je rookt jezelf kapot.”
Tinnie snoof. ‘’Ach jongen, als dat het ergste is. Ik rook al veertig jaar. Daar ga ik nu niet ineens mee stoppen.”
‘’Misschien zat je dan nu niet in deze situatie.”
‘’O ja?” Ze ging rechter zitten. ‘’En wie betaalde dat allemaal, denk je? Ik heb jarenlang gezwoegd in die supermarkt. Avonden, weekenden, zonder klagen. En jij? Jij ging lekker studeren. Mooie woorden leren. Literatuur. Poeha.”
‘’Dus dat verwijt je me?” Zijn stem trilde nu. ‘’Dat ik iets anders wilde dan… dan dit?” Hij maakte een vaag gebaar naar de kamer.
‘’Nee, ik zeg alleen dat ik alles heb gedaan voor jou. En je komt hier binnen alsof je je neus moet dichtknijpen.”
‘’Weet je wat het is, ma? Jij hebt alles gedaan. Ja. Maar niet zonder voorwaarden. Alles was een schuld. Elke boterham was een rekening en ik je wist nooit te vergeten om te benadrukken hoeveel je wel niet voor mij had opgeofferd, alsof ik dankbaar moest zijn dat papa en jij te lui waren om een condoom te gebruiken.”
Tinnie zweeg. Haar ogen waren opeens glazig.
‘’Ik mocht niets terugzeggen. Als kind al niet. Jij was altijd moe. Boos. Onvoorspelbaar. En ik… ik was bezig met overleven, niet met opgroeien.”
Laurine zat roerloos, haar hand nog steeds op haar mok, alsof ze bevroren was in de tijd.
Tinnie nam een trekje. De stilte trilde.
‘’Dus dit is het dan?” vroeg ze uiteindelijk. ‘’Je komt hier om af te rekenen?”
Tony haalde diep adem. Zijn stem zakte. ‘’Nee. Ik kom omdat je mijn moeder bent. En omdat ik nog steeds wil dat het iets betekent.”
‘’Dan drink je nu die koffie op,” zei Tinnie. Ze tikte met haar vinger op de mok. Haar stem was rauw, maar zacht. ‘’En dan probeer je een beetje aardig te doen. Je weet niet hoe lang ik er nog ben.” waarna ze een bulderende hoest moest loslaten.
Tony knikte langzaam. Hij nam een slok. Bitter. Te sterk. Te echt. Zoekend naar hulp keek hij Laurine aan die opnieuw dezelfde beleefde glimlach op haar gezicht heeft.
Tinnie leunde naar achter in haar fauteuil. ‘’Heb je nog iets gehoord van jouw vader?’’. Tony schudde zijn hoofd. De druk leek te verminderen in de kamer. ‘’Hij heeft een grietje zwanger gemaakt, daar in Colombia. Volgens mij is hij twee keer zo oud als haar. Ik heb een foto gezien op Facebook. Ik begrijp niet wat zij in hem ziet. Hij heeft een baardje nu. Wist je dat?’’
‘’Hoeveelste kind wordt dit van hem?’’
‘’Ik heb de tel niet meer bijgehouden, jongen. Sinds hij weigerde voor jou alimentatie te betalen’’
‘’Alsof ooit iets van dat geld voor mij zou worden gebruikt.’’ Snauwde hij toe terwijl Tinnie nog een hijs nam.
‘’Wat hebben we nou net afgesproken,’’ zei ze met een hese stem, terwijl ze haar sigaret uit drukte in het overvolle geïmproviseerde asbakje. ‘’Een beetje aardig doen. Dat was toch de afspraak? Ik blijf jouw moeder verdomme.’’
Tony keek haar aan, ogen donker, mond gespannen. Hij wilde iets zeggen, iets wat het definitief zou maken, maar zijn keel voelde droog aan, zijn hoofd als een dichtgeslagen boek.
‘’Je vraagt naar papa,” zei hij uiteindelijk, ‘’maar elke keer dat ik hem noem, gebruik je hem om mij te kleineren.”
‘’Alsof ik hem ooit verdedigd heb,” beet Tinnie terug. ‘’Die man was een egoïst. Altijd geweest. Maar hij was jouw vader, of je dat nou wil of niet.”
‘’Nee,” zei Tony zacht. ‘’Hij was iemand die een rol had, en die hij nooit heeft gespeeld. Net als jij.”
Tinnie keek hem aan. Er gleed iets over haar gezicht, eerst verontwaardiging, toen iets zachters, iets wat op spijt leek, maar geen naam had.
‘’Ik heb mijn best gedaan,” fluisterde ze. ‘’Misschien niet goed genoeg. Maar ik heb het geprobeerd, Tony. Alleen…”
Ze viel stil. Enkele tranen vormde in haar gelige ogen.
Laurine stond op, plotseling, haast geruisloos. Ze zette haar mok op het tafeltje, naast de koekjes die nog altijd onaangeroerd lagen.
‘’Ik denk dat we maar eens gaan,” zei ze, zacht maar beslist.
Tinnie knikte afwezig. Ze staarde naar haar handen. Naar de rimpels die haar vroeger leken te verraden.
Tony stond ook op, traag. Zijn stoel kraakte. Hij liep naar de kapstok en trok zijn jas aan, langzaam, alsof hij elk gebaar moest overdenken.
Bij de deur draaide hij zich nog één keer om. ‘’Ik weet niet of ik het je ooit echt kan vergeven, ma,” zei hij. ‘’Maar ik kom wel terug.”
Ze knikte. Niets meer. Geen omhelzing, geen uitzwaai. Alleen de rook die nog nablies in de kamer, als een adem die te lang was ingehouden en het geklik van de aansteker die de volgende sigaret aankondigde.
Woordeloos liepen Laurine en Tony naar de auto. De lucht was zwaar, alsof het gesprek in het appartement zich nog over hen heen uitstrekte. Toen hij eenmaal zat, de deur sloot en de sleutel in het contact stak, liet Tony een diepe zucht ontsnappen.
‘’Wat een mens,” zei hij, met vermoeide stem.
Laurine klikte haar gordel vast. ‘’Tony…” Ze pauzeerde even. ‘’Ze heeft niet lang meer.”
Hij keek haar aan, zijn wenkbrauwen licht gefronst.
‘’Dat weet ik,” zei hij. ‘’Maar maakt dat alles wat geweest is ineens goed?”
‘’Nee,” antwoordde ze rustig. ”Maar het maakt het wel tijdelijk. En soms moet je jezelf de vraag stellen of je gelijk wil halen, of vrede wil hebben.”
Tony richtte zijn blik op de ruit. De auto startte, de wielen rolden langzaam de parkeerplaats af.
‘’Je hebt makkelijk praten. Je bent haar kind niet,” zei hij, zonder haar aan te kijken.
‘’Ik heb haar nooit iets verplicht,” antwoordde Laurine. ‘’Ze is moeilijk, ja. Maar ook eenzaam. En ik denk dat jij de enige bent die daar nog iets aan kan doen.’’
Tony sloeg met zijn vingers tegen het stuur. Niet hard. Eerder nerveus.
‘’Het is niet dat ik haar wil straffen,” zei hij. ‘’Ik wil gewoon niet blijven doen alsof het nooit gebeurd is.”
‘’Misschien is er een middenweg,” zei Laurine zacht. ‘’Je hoeft het niet te vergeten. Maar je kunt kiezen wat je ermee doet. Nu heb je de kans om jouw relatie met haar nog te verbeteren. Doe het niet voor haar maar voor jouzelf want voor je het weet zit je met een schuld gevoel waar je niet makkelijk van af komt. Het blijft jouw moeder tenslotte.’’
‘’Volgens haar ben ik haar al genoeg verschuldigd, dan kan dat er nog wel bij’’
Er viel een stilte. De ruitenwissers gingen een paar keer heen en weer, als een ademhaling die niet wilde kalmeren.
‘’Je had trouwens nog iets te zeggen, toch?” vroeg Laurine.
Tony knikte langzaam. ”Ja. Maar niet nu.”
Ze keek opzij. ‘’Heeft het met je moeder te maken?”
‘’Nee.” Hij zuchtte. ‘’Met werk. Een aanbod.”
‘’Wat voor aanbod?”
‘’Ik wil het er nu niet over hebben. Laat ik het uitleggen als we thuis zijn. Als alles een beetje gezakt is.”
‘’Waarom begin je er dan over?’’ zei Laurine lichtelijk geïrriteerd. ‘’Je doet vreemd vandaag.’’
Tony verroerde zijn ogen niet van de weg. ‘’Vergeet dat ik er over begon.’’
Laurine knikte. ‘’Graag’’ Ze draaide haar hoofd weer naar buiten. Het flatgebouw verdween achter hen, maar de zwaarte van het bezoek bleef tussen hen in hangen.
In de verte gloeide de stad, onverschillig en stil.