De voordeur viel achter haar dicht met een doffe klap.
Even bleef Laurine in de gang staan, haar hand nog strak om haar handtas geklemd terwijl het donkere appartement haar koud omarmde. De stilte hing zwaar in de lucht, als stof in een kamer die te lang niet gelucht was. Het was niet alleen het appartement. Zijzelf voelde zich net zo.
Ze hoopte even, heel even, dat Tony er niet zou zijn. Niet omdat ze zijn aanwezigheid wilde vermijden maar omdat ze hopeloos even snakte naar rust, isolatie en stilte.
Maar nog voor ze echt durfde te geloven, hoorde ze gerommel vanuit de woonkamer.
Laurine liet haar handtas op de grond glijden.
Een zacht geluid in de verder roerloze ruimte.
Tony stond in de keuken. Zijn schouders gebogen, zijn rug naar haar toe.
Op het aanrecht stond een open fles wijn, twee glazen, een al halfvol geschonken dat hij nog niet leek te hebben aangeraakt.
Een gebaar van toen alles nog eenvoudiger was.
Een gebaar dat nu zwaar voelde.
„Hé,” zei Laurine, haar stem vlak, terwijl ze haar hakken uittrapte en haar jas zonder nadenken over een stoel hing.
Tony draaide zich om.
Zijn gezicht lag half in het schemerlicht.
Moe, gespannen, maar niet boos. Deze blik kende Laurine bij Tony nog niet. Hij leek verwikkeld. Serieus. En ergens ook kwetsbaar.
„We moeten praten,” zei hij.
Haar maag trok samen.
Altijd dat zinnetje.
Alsof praten iets kon oplossen wat al tijden langzaam uit elkaar viel.
‘’Kunnen we niet gewoon… even stil zijn?” vroeg ze, terwijl ze richting de woonkamer liep, haar stem bijna smekend, vermomd in vermoeidheid. ‘’Ik ben niet bennen, Tony.’’
Tony antwoordde niet meteen. Hij schonk meer wijn in, zonder te vragen of ze ook wilde. Laurine liet zich op de bank vallen. Ze trok haar benen onder zich, een kille poging tot comfort. Het liefst trok ze haar comfortabele kleding aan na een warme douche waarin ze eventjes alleen het stromende water zou horen. Geen gedachten. Geen gepraat. Maar alleen het water.
De stilte die volgde was eerst draaglijk. Laurine wenste om zo lang mogelijk in deze stilte te blijven hangen want ze wist dat zodra de eerste woorden zouden worden uitgesproken dat de vrede zou vervagen. Dit was de grens. Een stap verder en dan was de rust voor enige tijd niet meer te bekennen. Maar Tony was er niet voor de stilte. Hij wilde praten. Altijd weer die woorden. Hij gebruikte altijd teveel woorden vond Laurine. Hij dacht teveel na. Overweegde te veel. Verwoorden teveel.
Maar Tony was niet gekomen voor stilte.
‘’Laurine, ik weet niet meer of we elkaar nog begrijpen,” zei hij zacht.
Ze sloot haar ogen. Het gesprek was begonnen. De vrede was voorbij.
‘’Misschien proberen we gewoon te hard,” zei ze.
‘’Of te weinig.” Hij leunde tegen het aanrecht.
‘’Ik voel je niet meer. Alsof je er alleen nog bent uit gewoonte.”
„En jij dan?” Haar stem was vlak, niet vijandig maar moe.
„Altijd plannen maken, altijd stappen zetten. Alsof we pionnen zijn op een bord.”
Tony zette zijn glas neer, onaangeroerd.
„Ik wil iets bouwen, Laurine. Met jou. Maar je lijkt steeds verder weg te glijden.”
Ze haalde haar schouders op. ‘’Misschien weet ik gewoon niet wat ik wil.”
Een kleine, trieste glimlach speelde om zijn mond.
‘’Dat weet je al zolang ik je ken.”
De woorden sneden. Niet omdat ze hard waren, maar omdat ze waar waren.
‘’Ik dacht dat het genoeg was,” zei ze.
‘’Dat we samen genoeg waren.”
‘’Ik ook,” zei Tony zacht. ‘’Maar ik denk dat ik inmiddels meer wil.’’
Zijn hand strekte zich naar haar uit, alsof hij de afstand tussen hen fysiek kon overbruggen, maar halverwege trok hij hem terug.
Ze hoorden allebei de koelkast aanslaan.
Een monotoon, brommend geluid dat de momenteel als schreeuw tussen hen bevond.
‘’Ik heb een vaste baan aangeboden gekregen,” zei Tony na een tijdje.
‘’NOS. Grote stap.”
Laurine opende haar ogen.
‘’Gefeliciteerd,” zei ze. Ze meende het.
En tegelijk voelde het als nóg een deur die dichtviel. Tegelijkertijd wilde ze het woord: ‘’Eikel” uit haar mond laten rollen.
Hij leunde naar voren, zijn handen gevouwen tussen zijn knieën. ‘’Misschien kunnen we samen iets nieuws opbouwen. In Amsterdam bijvoorbeeld. Dicht bij jouw werk. Een nieuwe start.”
Ze staarde hem aan.
Hij bedoelde het goed.
Maar alles in haar wilde vluchten bij het idee.
‘’Ik weet niet of ik dat kan,” zei ze.
Hij knikte, langzaam, alsof hij de klap al had verwacht.
‘’Je hebt nooit geweten of je kon blijven,” zei hij. Geen verwijt, alleen vaststelling.
Ze kneep haar handen samen.
Een deel van haar wilde roepen dat hij ongelijk had.
Dat ze gevochten had.
Maar de woorden bleven steken.
‘’Wat als ik het niet wil? ”
‘’Dan wil je het niet. ” de woorden waren goed maar ze zag in zijn ogen dat hij de keuze al had gemaakt. Laurine wreef vermoeid door haar gezicht. Haar gedachtes gingen dat momenteel alle kanten op als stukken draad dat langzaam steeds verder in de knoop raakten.
‘’Ik ben voor jou hier gekomen, Tony. Naar verdomme Tilburg. Ik had hier niets! En nu vertel je mij dat je naar Amsterdam wil verhuizen omdat het nu toevallig uitkomt voor jou werk? ” Een duidelijk irritatie was in haar stem gekropen.
‘’Nu laat je het klinken alsof ik je heb gedwongen om hier naar toe te gaan. Amsterdam is simpelweg momenteel de beste zet voor onze levens. ” Een stilte volgde. Tony staarde naar zijn glas was waar nog steeds geen enkele druppel uit was gedronken. ‘’Ik had verwacht dat je enthousaist zou zijn”
Laurine schudde haar hoofd. Haar irritatie was langzaam aan het overslaan naar woede.
‘’En jouw moeder dan? Die wil je dan hier achterlaten? ”
Tony zuchtte. ‘’Laurine…”
‘’Wat?”
‘’Ze heeft zelf deze situatie gecreëerdc”
Laurine stroomde vol met woorden en reacties. Ze lagen allemaal al klaar op haar tong om gelanceerd te worden richting Tony. Toen er ineens een scherp geluid volgde.
Scheurend door de broze stilte.
Tony’s pieper.
Hij keek naar het kleine schermpje.
Een ongeluk. Ernstig.
Ze ontmoetten elkaars blik.
Zo moe.
Zo moe van alles wat niet meer te lijmen viel.
‘’Ik moet gaan,” zei hij, zijn stem rauw.
Laurine knikte alleen.
Geen zoen. Geen aanraking.
Alleen de beweging van Tony die zijn jas van de kapstok trok, de deur opende, en zonder om te kijken het appartement verliet. De deur viel dicht. Een klik die veel harder klonk dan normaal.
Laurine bleef achter in de woonkamer. Ze staarde naar het halfvolle glas wijn.
Naar de flikkerende kaars die ze zonder nadenken had aangestoken toen ze thuiskwam.
Ze had hem niet eens zien branden.
Buiten sloegen de sirenes aan.
De wereld ging verder, onverschillig.
En zij bleef zitten, omgeven door alles wat onaf was gebleven. Frustratie wist haar te overvallen. Het was nog een ding in de wereld waar ze geen controle over had. Ze zuchtte, wreef vermoeid door haar gezicht wetende dat er de volgende dag nog een dag gevuld was met treinreizen, eindeloze meetings en de stress, altijd de stress. Laurine stond op, nam haar telefoon mee, schoof de balkon deur open, keek eventjes hoe Tony vertrok en stak vervolgens een sigaret op. Tony had gelijk. Laurine wist niet wat ze wilde, haar waterige ogen en de onwetendheid in de keuze bevestigde haar dat alleen maar. Ze wilde ventileren tegen iemand, ze snakte hopeloos eventjes naar iemand die haar begreep. Voor een lange tijd leek Tony dat te zijn maar hij was inmiddels van haar af gedreven.
Amsterdam.
Hij wilde naar fucking Amsterdam. Hoe haalde hij het toch in zijn hoofd. Ze had zoveel woorden in haar hoofd. Voornamelijk scheldwoorden, maar hij had wel gelijk, het zou Laurine’s leven stukken makkelijker maken. Enkel was de hele situatie doordrenkt in zijn egocentrische belangen. ‘’De beste zet voor onze levens’’ galmde door haar hoofd. ‘’De beste zet voor zijn leven’’ sneed door haar gedachten. Simpelweg omdat het Tony nu het beste uitkwam.
Laurien zat vast in de draaikolk van haar verwikkelde emoties. Woede, verdriet, frustratie, eenzaamheid. Ze voelde het allemaal eventjes als een nare cocktail van haar bestaan. Ze pakte haar telefoon. Belde haar moeder. Hopende dat het ene verzachte uitkomst had, de zachte sympathieke moederlijke woorden die ze zo nodig had, maar met het risico dat het alleen maar erger zou worden gemaakt.
‘’Hey Laurine!’’ klonk al vrij snel aan de andere kant van de telefoon. ‘’Wat fijn om van je te horen, meisje. Wacht even, jouw vader is hier ook. Ik zet je even op speaker’’. Haar moeder verscheen, sprak maar verdween al snel in de gerommel op de lijn waarna enkele secondes de stem van haar vader verscheen ‘’Hé schat!’’ enige enthousiasme kwam van zijn stem. Ze had gelijk spijt dat ze belde. ‘’Hoe is het met je?’’.
‘’Goed…’’ begon ze. Ze nam nog een hijs van de sigaret. ‘’Druk. Werk, reizen, alles bij elkaar.’’
‘’Drukte is goed, meis.’’ Zei haar moeder. ‘’Betekent dat je gewaardeerd wordt.’’
Laurine haalde diep adem. Ook dit gesprek glipte zo door haar vingers.
‘’Ik….’’ Begon ze. ‘’Ik weet niet zeker of ik dit nog wil. Al die advocaten. Die cultuur en mentaliteit. Ik voel me daar niet thuis. Soms denk ik dat er gewoon veel meer is in de wereld dan weg te rotten in vergaderruimtes.’’
Haar vader viel gelijk in. ‘’Zorgt Húbért niet goed voor je? Ik bel hem zo, meid. Dan spreekt hij ze zo aan. Ontslaat ze zelfs als het nodig is’’
Er viel een stilte. Het kleine beetje hoop dat Laurine had in dit gesprek vlamde direct uit. Haar moeder brak de stilte en zei: ‘’Ach meisje, dat zijn gewoon opstartproblemen. Iedereen heeft dat. Je zit nu op zo’n mooie plek, daar moet je gebruik van maken! Niet iedereen krijgt zulke kansen.”
Inmiddels was het een ware tirade vanuit haar ouders. Laurine’s vader voegde er nog aan toe. ‘’Precies, je had het laatst over een promotie, dat zou mooi tijd worden. Daarna kan je altijd nog een reis plannen, als je eenmaal wat opgebouwd hebt. Jouw generatie wil alles zonder ervoor te werken, Laurine. Wees niet zoals de rest van jouw leeftijdsgenoten. Je zit op een goed pad. Een succesvol pad. Gooi dat nou niet weg.’’
Ze voelde haar keel volledig dichttrekken. Woorden waren ver te bekennen, het enige wat ze er zachtjes uit kon krijgen was „Maar ik weet niet of ik dat wil…’’
‘’Denk aan je toekomst, schat,” onderbrak haar moeder haar. ‘’Eerst een paar jaar knallen, dan kun je alles doen wat je wilt. En het staat ook geweldig op je CV als je daar doorgroeit.”
„Je hoeft het nu niet leuk te vinden,” zei haar vader. ‘’Later zul je blij zijn dat je doorgezet hebt.”
Laurine beet op haar lip. Alles in haar schreeuwde om te zeggen: maar ik ben nu ongelukkig!, ik voel me dood vanbinnen daar! Luister godverdomme toch eens naar me! IK WIL DIT NIET. Maar ze wist al dat het geen zin had.
‘’Ja… misschien,” zei ze. Haar stem klonk dun, alsof iemand anders hem gebruikte.
‘’Zie je wel,” klonk haar moeder opgelucht. „Je moet gewoon even doorbijten. We zijn zo trots op je, lieverd.”
‘’Heel trots,” bromde haar vader op de achtergrond.
Een stilte viel. Laurine haalde diep adem, verzamelde haar moed.
‘’Tony heeft trouwens een baan aangeboden gekregen,” zei ze. ‘’In Amsterdam. We denken eraan om daarheen te verhuizen.”
Even, heel even, hoopte ze dat dit een opening zou zijn. Dat haar ouders iets zouden vragen als: ‘Wat wil jij?’ of ‘Hoe voel je je daar dan bij?’
Maar haar moeder klonk meteen enthousiast:
‘’Oh, perfect! Amsterdam! Dichtbij de topkantoren. Daar kun je echt carrière maken, Laurine! En dan hoef je niet meer elke dag zo vroeg die trein in!”
‘’Precies,” zei haar vader. ‘’Grote stad, grote kansen. Daar ligt je toekomst.”
Laurine voelde iets in zich breken.
Weer ging het alleen over werk. Over status. Over alles wat ze niet meer wilde. Nooit over haar.
Op dat moment voelde zij zich enkel nog maar een extensie van haar ouders. Ze zat op het pad dat zij voor haar wilden en hoe graag ze er toch van wilde stappen wist ze nooit de moed te verzamelen om er tegen in te gaan. Zodra ze haar ouders zou spreken zou ze dat gehoorzame dertien jarige meisje weer zijn.
‘’Ja… misschien,” zei ze opnieuw.
‘’Laat maar weten als jullie verhuisplannen serieuzer worden,” zei haar moeder opgewekt. ‘’Dan kunnen we vast kijken naar koopopties. De huizenmarkt is lastig nu, maar met jullie banen moet dat lukken!”
Laurine wist niet eens meer wat ze moest antwoorden.
Ze murmelde iets, woorden zonder vorm, en beëindigde het gesprek zo snel en beleefd mogelijk.
Toen de lijn dood was, bleef ze zitten.
De stilte viel over haar heen als een zware deken. Ze kon wel van het balkon af schreeuwen maar wist ook dat niemand haar zo horen. Ze was verdrietig maar tegelijkertijd ook boos op haarzelf. Waarom vertelde ze haar ouders over Amsterdam. Ze wist niet eens of ze het wilde. Ze was boos op Tony, dat hij haar opnieuw zou laten verhuizen.
Ze had zo graag iets willen zeggen.
Echt iets.
Maar net als altijd was er geen ruimte geweest.
Alle wegen leidden terug naar dromen, maar niet de hare.