En Toen Was Er Niks – 6

Photo by THeo Gosselin

Scroll this

Voor het eerst in lange tijd was dat stemmetje weg. De criticus. De man met de zweep die elk woord genadeloos afstrafte.

Even leek alles moeiteloos te gaan voor Tony. Het voelde bijna niet alsof hij zelf zat te typen, maar alsof hij bezeten was door de geesten van zijn lang gestorven helden. Heel even begreep hij het allemaal. Heel even voelde hij het allemaal. Hij ademde elke scène in en wist plotseling alle puzzelstukjes in elkaar te leggen. Was dit het? Het gevoel dat Kerouac overviel toen hij On the Road in één ruk uit zijn lijf schreef? Was dit de gouden genade van de creativiteit?

Oh, hij had het te pakken. Schrijven was ineens niet meer moeilijk.

Koortsachtig, half waanzinnig, bleef Tony dagenlang typen. Hij bestelde boodschappen, meldde zich ziek op zijn werk en bleef schrijven alsof het zijn vorm van meditatie was.
Tik. Tik. Tik.
Meer rust.
Bam. Spatie. Volgende alinea.
Zij begreep hem niet. Hij begreep haar niet. Maar ze wilden bij elkaar blijven.
Tik. Bam. Volgende.
Een groots gebaar. Hij kon niet zonder haar.
Tik. Bam. Volgend hoofdstuk.
Hij wilde iets onvoorspelbaars. Hoe? Welke kant moest het op? Hij wist het niet. Hij moest verder. Typen. De woorden volgen. Luisteren naar het getik van het toetsenbord.
Bam. Tik. Tik. Spatie.
Daar zat het antwoord. Het moest goedkomen.
Tik. Spatie. Bam.
Dat wist hij. Dat moest.
Tik. Tik. Tik.
Het moest goedkomen.
Tik. Tik. Tik.
Het moest goedkomen.
Terug. Het gaat om haar.
Tik. Tik. Bam. Spatie.
Het ging altijd om haar.

Hij dacht aan haar bij het opstaan. Als hij zijn tanden poetste. Als hij in de auto zat, hoopte hij dat ze naast hem zat, of door puur toeval langs hem heen zou rijden, zodat hij nog heel even een glimp van haar schoonheid kon opvangen.
Tik. Spatie. Bam.
Wat hij in haar zag, was niet zijzelf. Het was iets groters. Iets wat hij via haar dacht te kunnen bereiken.
Tik. Spatie.
Geluk?
Spatie.
Bevrijding?
Spatie.
Verlossing?
Bam.
Hij wist het niet. Het enige wat hij wist, was dat hij haar nodig had. Ze moest aan zijn zijde staan. Ze was reden. Ze was zin. Ze was geen doel, maar een kompas. De juiste richting.
Tik. Spatie.
En een laatste bam.

Weer een hoofdstuk af.

Tony leunde naar achteren, nam een slok Hertog Jan en keek de kamer rond. De woorden raasden nog steeds door zijn hoofd. Ook al bewogen zijn vingers even niet meer, in zijn hoofd bleef hij zinnen maken. Soms ging het te snel. Dan had hij de ene zin nog niet af en begon de volgende zich al op te dringen. Hij probeerde het getypte terug te lezen, maar daar had hij het geduld niet voor. Hij wilde verder. Hij moest verder.

Hij nam nog een slok bier. Greep opnieuw in de zak chips die inmiddels leeg bleek te zijn. Hij trok een andere zak naar zich toe, maar die was ook leeg. Net als de rest. Uit frustratie smeet hij ze op de grond, naast de opstapeling van verdwaalde lege bierblikjes. Onder de chipszakken vond hij zijn telefoon, die al dagen leeg was. De geur in de kamer bereikte hem al lang niet meer.

Zijn joggingbroek, die hij al ruim een week onafgebroken droeg, zat vol vlekken. Ooit was hij grijs geweest, maar dat viel nauwelijks nog te herleiden. Zijn shirt hing uitgelubberd om zijn lijf en droeg hetzelfde patroon van kringen en vegen. De spiegel vermeed hij liever. Hij wist dat hij er niet uitzag, maar daar ging het niet om. Hij had het te pakken. De flow. De sappen van de creativiteit. De goden van de woorden hadden hem eindelijk gezien en gezegend met iets prachtigs.

Hier draaide het om. Het typen. De voortgang. Zijn volgende stap in zijn carrière. Beginnen bij de NOS. Een boek uitbrengen. De woorden. Het werk. Het had zin. Het had richting. Het bewoog zich naar een eindbestemming. Hoe die er precies uitzag wist hij niet, maar wel was hij ervan overtuigd dat als hij dit pad niet zou volgen, hij daar eeuwig spijt van zou hebben.

En dus typte hij alweer verder.

Een nieuw hoofdstuk. De woorden kwamen sneller dan zijn gedachten. Soms tikte hij woorden die hij niet herkende. Namen, plaatsen, beelden. Een veld bij zonsopkomst. Een vrouw in het gras.

Hij las niets terug. Hij durfde niet.

Iets in hem zei dat het zou verdwijnen als hij stopte.

Dus bleef hij typen. Tik. Tik. Tik. Zodat hij heel even mentaal op die plek kon blijven. In de warmte. In de zon.

Buiten werd het licht en weer donker en weer licht. Hij merkte het nauwelijks. De kamer rook naar oud bier, vet, misschien zelfs iets rottends. Maar de stank bereikte hem niet meer.

Zijn vingers deden pijn. De huid van zijn duim lag open, maar hij bleef tikken. Alsof het bloed de inkt was waaruit het verhaal geboren moest worden. Hij wist niet meer welke dag het was. Hij wist ook niet meer hoeveel bier hij inmiddels op had. Maar toen hij naar het volgetypte Word-bestand keek, zag hij het getal staan: 80.135 woorden.

En toch voelde hij zich leeg.

Hij bleef nog even zitten nadat de laatste zin was getypt.

Zijn vingers hingen boven het toetsenbord alsof ze niet wisten wat ze nu moesten doen.
De kamer was stil. Alleen het zachte gezoem van zijn laptop, en ergens ver weg het lekken van een kraan.

Een druppel.
Een ademhaling.
Een tijd die niet verder wilde.

Hij las het terug.
Langzaam.

Elke zin gleed door hem heen als iets wat hij herkende, maar waarvan hij niet meer wist waarvandaan. En ergens halverwege voelde hij het: dat vreemde, wringende besef dat het niet zomaar een verhaal was.

Zij.
Die vrouw.
Die zee.
De stem die zei dat alles goed was.

Het was haar. Altijd haar. Laurine.

Hij had haar geschreven. Zonder het te weten, zonder het te willen. Ze was in de zinnen gekropen, in de stiltes, in het ritme van zijn adem. Hij had haar vastgelegd, misschien zelfs gevangen, in iets dat mooier was dan zij ooit had kunnen zijn.

En dat maakte hem misselijk.

Hij klapte het document dicht. De stilte die volgde voelde hard, bijna tastbaar. Alsof het scherm hem nu iets teruggaf, een spiegel van wat hij niet wilde zien.

Hij stond op en liep naar het raam. Buiten was het laat. De stad lag er uitgeblust bij. In de verte gloeide het rood van een kruispunt.

Hij dacht even aan de man op de N69. Aan het geluid van staal. Aan de vrouw die schreeuwde.

Wat had hij gedaan? Een verhaal geschreven, of iemand vervangen?

Hij liep naar de keuken. De koffie was koud. De lucht was zwaar van oude rook en stilstaande tijd. Hij zette de kraan open en liet het water lopen. Lang. Zonder reden. Het geluid vulde de ruimte en overstemde het gezoem van de laptop.

Heel even dacht hij eraan haar te bellen. Laurine. Om te zeggen dat hij iets geschreven had. Dat ze het moest lezen. Dat het misschien alles verklaarde.

Maar die gedachte maakte hem moe.

Wat viel er nog uit te leggen?
Hij had haar al herschreven.
Wat viel er dan nog te redden?

De cursor op het scherm knipperde nog steeds. Langzaam. Onverstoorbaar. Alsof het het hart was van iets dat doorging, ook nu hij allang gestopt was.

Uit frustratie, en misschien ook uit wanhoop, legde hij zijn mobiel aan de oplader, in de hoop dat er vijf gemiste oproepen van Laurine op zouden staan. Appjes met de woorden: Ik mis je. Of: Laten we het weer oppakken, ik heb je nodig. Al was het maar een simpele hey, als ze maar even liet zien dat hij ook door haar gedachten spookte zoals zij door de zijne.

Zijn telefoon startte op. Meteen verscheen zijn achtergrond: zij samen, gelukkig, halfdronken van de wijn. Laurine die hem een kus op zijn wang gaf. Hij wist niet eens meer waar die foto was genomen. Alleen dat hij met heel zijn lijf terug wilde naar dat moment.

Toen kwamen de meldingen.

Appjes. Groepsapps. Nietszeggende pushberichten. En dan: gemiste oproepen.

Heel even hoopte hij Laurines naam te zien.

Maar het enige wat hij zag, was een onbekend nummer met +57.

Toen hij zijn WhatsApp opende, zag hij van datzelfde nummer meerdere berichten.

‘Zoon. Het ziekenhuis belde. Het gaat niet goed met Tinnie. Regel jij het?’

Er kwam nog een laatste bericht binnen.

‘Zeg ook tegen jouw moeder dat ik haar noodcontact niet meer wil zijn.’