La speranza è l’ultima a morire (deel 1)

Photo by Atischa Paulson

Scroll this

Utrecht. Mijn lieve Utrecht. Wat was je toch een prachtige stad voor een jongen zoals ik. Van de kleine romantische barretjes naar de rauwe kroegen vol wilde avonden. En de vrouwen die er woonden. Oh, de prachtige vrouwen. De meeste zagen hun eigen schoonheid niet eens. Ze waren te verwikkeld in hun eigen onzekerheden en geïntimideerd door de andere, naar hun mening, beter uitziende vrouwen. En de klanten. Wat gebruiken mensen toch veel drugs in jouw straten. Het geld. Je moest mijn portemonnee eens zien. Je bent zo goed voor mij.

Je gaf me altijd wat ik nodig had, mijn beste stad. Nooit meer dan nodig was maar ook nooit minder dan ik wilde. De perfecte balans. Op het begin was je hard tegen mij. Vooral voor mijn Limburgse accent. De grappen die ik moest verduren, de slecht na-apende mimiek van dronken korpsballetjes die mijn accent humoristisch vonden. Met gebalde vuisten moest ik hun arrogantie aanhoren, maar ik zou me inhouden. Ik was nieuw in de stad. Het was nog geen tijd voor vechten, dat soort zaken zouden zich alleen maar in mijn gezicht opblazen. Mijn vader had me al vaker van het politiebureau in Sittard moeten ophalen. No way dat hij me zou komen ophalen in het midden van het land.

Mijn vader was, desondanks zijn harde mentaliteit, een goede man. Sinds mijn moeder was overleden was hij het enige dat ik had. Over onze emoties praatte we nooit maar, oh, als ik ooit ruzie had dan stond hij als eerste klaar met een honkbalknuppel en een steen om de ruiten in te gooien. Hij heeft niet voor niets een strafblad.  Mijn moeder wilde het nooit toegeven maar ik wist dat het deels de reden was dat ze van hem hield. Hij was anders dan alle andere mannen. Impulsief, wild, onvoorspelbaar maar toch charmant. Het waren zijn Italiaanse roots die hem daarbij hielpen. Principessa, mia principessa, ti amo. Ti amo principessa waren de woorden die altijd tegen mijn moeder zei. Woorden waren zijn beste vriend. Hij was een gevaar met zijn vuisten voor de mannen en met zijn woorden wist hij de harten van vrouwen te veroveren. Ik keek naar hem op. Het leek alsof niets in de wereld hem iets kon aandoen. Zelfs de dood van mijn moeder niet. Ik was zestien jaar oud toen de laatste hartslag van mijn moeder was geslagen. Naast haar bed stond ik te huilen totdat hij me bij mijn wangen pakte. Geen schrijntje van emotie was in hem terug te vinden. Het enige wat hij zei was: ‘’Niet huilen, mijn kleine Gio. La speranza è l’ultima a morire. De hoop.’’ Herhaalde hij met een monotone stem. ‘’De hoop is de laatste die zal sterven.’’ Maar na de uitvaart van mijn moeder verdween hij voor drie dagen. Plotseling zat ik in mijn eentje in het huis. Waar mijn vader was, bleef een compleet mysterie. Die dagen sprak ik geen woord, eigenlijk dacht ik ook nergens over. Ik rookte wiet om de tijd te doden en bleef de woorden van mijn vader zachtjes herhalen in mijn hoofd: ‘’De hoop is de laatste die zal sterven. De hoop is de laatste die zal sterven. Ik zal eerder sterven dan de hoop. Jij zal eerder sterven dan de hoop. Wij zullen allemaal al dood zijn voordat de hoop sterft.’’

Uiteindelijk kwam mijn vader thuis. Om half acht ’s ochtends stormde hij naar binnen en voordat ik mijn ogen open had stond hij naast mijn bed. Het was overduidelijk dat hij meerdere nachten slaap had overgeslagen. Glazig keek hij naar mij; zijn ogen waren omringd met diepe rode randen, zijn normaal gesproken perfect gekamde zwarte haren verwilderd en zijn overhemd zat onder de vlekken en er miste meerdere knoopjes.

‘’Wa….wat heb jij gedaan?’’ stamelde ik slaperig uit.

‘’Coke, Giovanni, cocaïne en vrouwen.’’ Klonk er met een slis uit zijn mond. ‘’Dat is het enige waar het leven nu nog over gaat.’’

Dat was ook precies wat hij de jaren daarna deed. Na een poosje wist ik dat zodra het weekend was aangebroken ik hem voor een paar dagen niet zou zien. Soms zou hij zondagavond terugkomen, dan had hij het mild gehouden. Andere weken kwam hij pas op woensdag thuis, soms met een vrouw aan zijn armen, soms met willekeurige mensen waarmee hij nog ging feesten en één keer kwam hij met een hond thuis. Hij wilde nooit zeggen waar hij de hond vandaan had gehaald, maar het was overduidelijk dat hij hem ergens had gestolen. Het was fijn om een hond in huis te hebben en mijn vader liet mij de naam van het trouwe beestje bepalen. Direct wist ik wat de perfecte naam voor hem was. Lucius. Hij was licht, speels maar dominant. Er was geen andere naam die beter bij hem paste.

Lucius werd mijn beste vriend. Ik praatte zelfs tegen hem en soms dacht ik dat hij het ook werkelijk begreep. Hij was diegene die ik vertelde over de meisjes waar ik verliefd op was, diegene waar ik mijn hart luchtte over de twijfel die ik in mijn leven had en de vraag of ik ooit zoals mijn vader zou kunnen worden. Openlijk praatte ik tegen hem over mijn emoties toen ik voor het eerst werd gedumpt.

Dat was op mijn zeventiende door een meisje genaamd Abby. Het was een prachtig meisje, diepgroene ogen, een mooi lichaam, zag er geweldig uit in jurkjes én ze was wild. Dat had ik altijd nodig in een meisje. Een rauw randje. Het gevoel dat ze me op elk moment pijn kon doen, en dat deed ze ook. Onverwachts ging ik bij haar langs maar toen ik voor haar ouderlijke huis stond zag ik plots deze vriend naar buiten komen. Charlie heette hij. Fucking Charlie. Voor een lange tijd dacht ik dat hij een goede vriend van mij was, dus toen ik erachter kwam dat hij seks had met Abby ging ik door het lint. Hij vertrok uit haar huis, zij stond in de deurpost, maar besloot om terug te lopen. Zijn arm plaatste hij om haar lichaam en hij zoende haar. Wat moest ik doen op dat moment? Vertrekken en net doen alsof ik niets gezien had? Haar confronteren, hem confronteren? Erover praten? Zeggen dat het me pijn deed? Fuck dat allemaal. Kort bedacht ik me wat mijn vader op dat moment zou doen. Vervolgens pakte ik het pompje van mijn fiets, liep naar het nieuwe gelukkige koppeltje toe en sloeg Charlie op zijn hoofd.

Het was een ware rotzooi. Abby haar geschreeuw toen Charlie met een bebloed hoofd op de grond viel. Chaos was het. Maar hij had het verdiend. Tranen stroomden uit Abby’s ogen en haar geschreeuw was het meest ondragelijke geluid wat ik ooit heb gehoord. Het was hoog, scherp en vals. Nooit had ik me bedacht dat je zelfs voor schreeuwen een klein beetje talent nodig had. Ik trapte Charlie in zijn zij, hij blies een beetje lucht uit en smeekte me om te stoppen. Maar daar was het te laat voor mijn goede vriend. Ik sloeg hem in zijn gezicht. Recht op zijn oog zodat de wereld kon zien dat hij een verraderlijke rat was. Overduidelijk was mijn relatie met Abby vanaf dat moment over, eigenlijk was het al over toen Charlie zijn vieze, gluiperige tong in haar mond stopte. Maar hij moest iets leren. Zij moest iets leren. Wat zij deden was fout en praten was geen optie. Soms was angst in boezemen juist het perfecte medicijn. Mijn vader wist het en door hem wist ik het ook. Mannen in de moderne wereld waren te bang om hun vuisten te gebruiken. Ze praten liever over hun emoties, zielige leventjes en huilden om de vrouwen die ze nooit konden krijgen.

Maar het was snel over. De les was geleerd en ik had niet eens door dat een van de buren de politie had gebeld. Daar zat ik dan, op mijn zeventiende op het politiebureau omdat ik schijnbaar iemand ‘mishandeld’ had. Ik legde de situatie uit, wist dat ze mijn spijtbetuiging wilden horden dus gaf ik ze die. ‘’Het spijt me.’’ zuchtte ik met een gemaakte zielige stem uit. ‘’Ik was zo boos. Weet je, ik hield van haar en daar stond ze ineens met een vriend van mij te zoenen. Op dat moment leek het de enige oplossing. Maar nu is het duidelijk dat ik fout zat. Geweld is niet de oplossing. Het is nooit de oplossing. Dat heb ik nu geleerd.’’

Dat laatste was de waarheid. Niet dat geweld nooit de juiste oplossing was, maar dat ik iets had geleerd. Dat geweld soms juist wel de oplossing zou kunnen zijn. En het voelde zo goed om iemand die jou iets heeft aangedaan met een kleine metalen fietspomp neer te slaan. Dat geluid van metaal op bot is iets wat mij altijd bij is gebleven. Charlie niet. Na de doorverwijzing naar bureau Halt moest ik hem mijn excuses aanbieden. Ik gaf hem dezelfde spijtbetuiging die ik ook aan de politie had gegeven, maar de angst in zijn ogen. Die pure angst. Vanaf dat moment wist ik dat hij voortaan twee keer ging nadenken voordat hij zijn tong in iemand zijn mond zou gaan steken. Als er iemand iets had geleerd van deze situatie dan was het mijn goede vriend Charlie wel.

Mijn vader was trots op mij. Op het politiebureau en bij bureau Halt liet hij het niet merken maar toen ik samen met hem eenmaal buiten stond en wij samen terugreden in zijn knalblauwe Suzuki Swift lachte hij. ‘’Goed gedaan.’’ Zei die als trotse vader. ‘’Ik ben blij dat je voor jezelf bent opgekomen, Giovanni. De wereld kan je vertellen dat je fout zat, maar geloof dat nooit. Nooit. Soms is het nodig om voor jezelf op die manier op te komen. Anders blijft de wereld maar van jou pakken en pakken.’’

Dat was een typische tirade van hem. Hij wist hoe de wereld in elkaar zat. Hij vocht voor de dingen die hij wilde houden en nam de dingen die hij wilde hebben. De wereld begreep hem niet. In hun ogen was hij een crimineel. Een verloren zaak en een slechte vader. Maar ik wist beter. Ik wist wie hij echt was.

Na de situatie met Charlie wist heel mijn middelbare school ook wie ik was. Plotseling voelde iedereen ineens angst voor mij. Meisjes kwamen naar mij toe omdat het interessant voelde, jongens bleven bij mij weg en als ze al de ballen hadden om met mij te praten dan keken ze naar me op. Het was een gekke verandering maar ik vond het niet onprettig. Eigenlijk was het geweldig. Soms wilde ik het mensen vertellen. ‘’’Weet je hoe je respect krijgt? Sla iemand een keer met een fietspomp en bam, je hebt respect. Mensen vrezen je. Meisjes willen je daten en jongens proberen jou te ontwijken.’’

Op mijn 18e verjaardag had ik net mijn VWO afgerond. Voor iemand die niet met zich liet fucken was ik gelukkig ook slim. Het was een fijne combinatie. Misschien was ik toch net zoals mijn vader. Volgens mij zag hij het ook want voor mijn verjaardag dronk ik met hem whisky. Goede whisky. Dure whisky. Het was overduidelijk dat hij meer ervaring had dan ik want terwijl ik nog met mijn eerste glas bezig was, had hij de rest van de fles al opgedronken. Maar hij leek nog steeds nuchterder dan ik na een paar slokken whisky. Hij gaf me een pakje sigaretten en zei: ‘’Begin maar met roken, jongen. Daar word je harder van.’’ Dus dat deed ik ook. Samen rookte ik met hem heel de avond. We dronken whisky. Hij vertelde verhalen, goede verhalen. Over de vrouwen met wie hij seks had gehad, wat voor bizarre dingen hij had meegemaakt in zijn dronken escapades. Oh. Wat wilde ik net zoals hem worden. Hij was een god. Groter dan het bestaan zelf.

Deel 2